Paasviering 2019 - Corry B. Brauckman

Title
Ga naar de inhoud

Liturgie Paasviering 2019
(Viering in de B. kerk te A.)

Thema: Bij God, de HERE Here, zijn uitkomsten… (Psalm 68:21b)
              © Tekst: Corry B. Brauckman
 
Schriftlezing: NBG ’51
P A A S V I E R I N G     2 0 1 9

Stem:
‘Bij God zijn uitkomsten…!’ Kun je dat wel ‘zomaar’ zeggen?
Kun je zeggen: ‘Bij God zijn uitkomsten’, als je gehandicapt bent…; een tumor…, hartkwaal… of levensbedreigende ziekte hebt…?
Kun je zeggen: ‘Bij God zijn uitkomsten’, als iemand intens heeft geloofd beter te zullen worden en toch (onverwacht) sterft…?
Kun je zeggen: ‘Bij God zijn uitkomsten’, als in een week een persoon overlijdt of meerderen, die je niet kunt missen…? Ofwel: Kun je wel zeggen: ‘Bij God zijn uitkomsten’, als de realiteit van het dagelijks leven zo anders lijkt en de dood als koning heerst? (Romeinen 5:14)
Of is het anders? En zijn Gods uitkomsten (totaal) anders? God is immers niet een beetje God, Hij is God en geen mens. Hij is de gans Andere! Zijn naam is Jahweh (Exodus 3:14).
Het thema ‘Bij God, de HERE Here, zijn uitkomsten…’ (Psalm 68:21b), doet ons staan op ‘heilige’ grond.

Zingen:
Heilig, heilig, heilig,
Here God almachtig,
heel de schepping prijst U
in aard’ en hemel wijd.
U alleen bent heilig,
liefdevol en machtig,
drieënig God, Die één in wezen bent.
Uit: Joh. de Heer, Lied 961:4
      Opwekking, Lied 236:3

Stem:
Twijfelen aan God, Die in de Here Jezus onze Hemelse Vader wil zijn, maakt niet gelukkig. Geloven in Hem maakt sterk. En ons vertrouwen stellen in Hem, is een uiting van liefde naar Hem Die ons eerst heeft liefgehad (1 Johannes 4:19).
Hij is bij machte oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen (Efeziërs 3:20).

Zingen:
Heer, ai, maak mij Uwe wegen
door Uw Woord en Geest bekend;
leer mij, hoe die zijn gelegen
en waarheen G’ Uw treden wendt.
Leid mij in Uw waarheid; leer
ijv’rig mij Uw Woord betrachten;
want U bent mijn heil, o Heer!
‘k Blijf U al de dag verwachten.
Uit: Joh. de Heer, Lied 346:1
      Psalm 25:2 (Oude berijming)

Stem:
We hebben zojuist gezongen: ‘Heer, ai, maak mij Uwe wegen…’. ‘Ai’ is een afkorting van Adonai (Hebreeuws, in het Grieks ‘kurios’) en geen naam, maar een titel.
De belangrijkste Hebreeuwse Naam van God is de naam Jahweh, ‘HEER’ of ‘HE(E)RE’.
Voor de Joden is de Godsnaam JHWH, Jahweh, - deze Naam komt in het Oude Testament 6828 keer voor, waaronder 680 keer in het Bijbelboek van de Psalmen - te heilig om uit te spreken. Lezen zij JHWH dan spreken zij ‘Hashem’, ‘de Naam’ of ‘Adonai’. Ofwel: ‘Heer’ of ‘mijn Here’.
Jahweh betekent: ‘Ik ben Die Ik ben’, of ‘Ik zal zijn Die Ik zijn zal’ (Exodus 3:14). De onmogelijkheid om Zijn wezen, Wie Hij is, in een Naam weer te geven, klinkt hierin door.
Hij is de eeuwig in Zichzelf bestaande. Hij is Die Hij eeuwig is. Met andere woorden: Hij is niet hopeloos ouderwets, noch hypermodern, maar ‘De Eeuwige!’ Dit betekent dat Zijn Woord eeuwig is (Jesaja 40:8); onvernietigbaar!

Gebed:
Vader, dank U wel, U bent: ‘Jahweh’, HEER of HE(E)RE; Ik ben Die Ik ben.
Vader, dank U wel, U bent: ‘Adonai’, Heer of Here. Of heel persoonlijk: ‘míjn Heer, míjn Here’.
Vader, dank U wel, U bent: ‘Abba’, Vader! De kroon van Uw heerlijke namen.
                                                                                                                                                        
Zingen:
Lof zij de Heer,
Die uw bevende vrees zal beschamen!
Noem Hem uw Vader,
de kroon van Zijn heerlijke namen!
Dwars door de dood
neemt Hij u op in Zijn schoot;
loof Hem in eeuwigheid! Amen!
Uit: Ned. Hervormde Bundel van 1938, Gezang 136:5
     Joh. de Heer, Lied 153:5

Stem:
‘Dwars door de dood…!’ Het is mogelijk. De weg is open. Bij onze Hemelse Vader zijn uitkomsten, ook tegen de laatste vijand: de dood (Psalm 68:21b,1 Korintiërs 15:26).

Zingen:
Gods vriend’lijk aangezicht
heeft vrolijkheid en licht
voor all’ oprechte harten
ten troost verspreid in smarten.
Juicht, vromen, om uw lot,
verblijdt u steeds in God,
roemt, roemt Zijn heiligheid!
Zo word’ Zijn lof verbreid
voor al dit heilgenot.
Uit: Joh. de Heer, Lied 363:3
      Psalm 97:7 (Oude berijming)

Schriftlezing: 1 Korintiërs 15:54b-56
De dood is verzwolgen in de overwinning.
Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?
De prikkel van de dood is de zonde en de kracht van de zonde is de wet.

Stem:
Paasfeest! Het feest van de overwinning over de dood. Wie dit feest ‘echt’ wil vieren, moet gaan naar Getsemane, Golgotha en het open graf van de Here Jezus.
Laten we op weg gaan, niet als vijanden van het kruis van de Here Jezus (Filippenzen 3:18) of als toeschouwers, maar heel persoonlijk met eerbiedige liefde voor Hem die leed en stierf voor een gebroken wereld, verloren in schuld; voor u, jou en mij!

Schriftlezing: 1 Korintiërs 15:3b en 4
Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften,
en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften.

Gebed:
Vader in de hemel. Wij willen het lijden en sterven van Uw Zoon, de Here Jezus, naar de Schriften gedenken. Maar ook Zijn opstanding uit en overwinning over de dood. Laten wij het niet gewoon gaan vinden? ´t Was om onze zondeschuld. Mag ons hart vol brandende liefde voor Hem zijn en vervuld met schroom, eerbied en aanbidding? Wilt U ons daarbij door de Heilige Geest helpen?

Zingen (Augustinus sprak: ‘Zingen is twee keer bidden.’):
Open mijn ogen,
‘k wil Jezus, mijn Heer zien.
Open mijn ogen, opdat ik U zien kan.
Open mijn oren, opdat ik Uw stem hoor.
Open mijn hart, Heer, opdat ik gehoorzaam.
Uit: Opwekking, Lied 187

Stem:
Het was vroeg in de morgen. Abraham kloofde wat hout en zadelde zijn ezel. Zoals de Here God hem gezegd had, deed hij. Hij ging op reis naar het land Moria. Zijn zoon Isaak en twee knechten nam hij mee. Op de derde dag zagen zij in de verte de plaats Moria.
‘Blijf hier met de ezel’, sprak Abraham tot zijn knechten. ‘De jongen en ik gaan daarheen. Wanneer wij hebben aanbeden, keren wij terug.’
Het hout voor het brandoffer gaf Abraham Isaak te dragen. Zelf droeg hij het vuur en een mes (Genesis 22:3-6a).

Schriftlezing: Genesis 22:6b-8
Zo gingen die beiden tezamen.
Toen sprak Isaak tot zijn vader Abraham en zei: Mijn vader, en deze zei: Hier ben ik, mijn zoon. En hij zei: Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?
En Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van een lam voor het brandoffer, mijn zoon.

Stem:
Drie dagen daarvoor had de Here God tegen Abraham gesproken.

Schriftlezing: Genesis 22:2
Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefheeft, Isaak, en ga naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer op één van de bergen, die Ik u noemen zal.

Stem:
Wat ging er in die drie dagen en twee nachten in het hart van Abraham om? Want hoe kon de Here God van hem het offer van zijn zoon vragen? Was de Here God Zijn woorden en belofte vergeten…?

Schriftlezing: Genesis 17:19
… uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en u zult hem Isaak noemen, en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond, voor zijn nageslacht.

Stem:
In deze onbegrijpelijke en hartverscheurende situatie ging Abraham niet met de Here God discussiëren. Ook luisterde Abraham noch naar zijn verstand noch naar zijn hart, maar naar de Here God.

Zingen:
Nooit kan ’t geloof teveel verwachten,
Gods Woord is zeker en gewis.
’t Faalt aardse vrienden vaak aan krachten,
maar nooit een vriend als Jezus is!
Wat zou hier ooit Zijn macht beperken?
Het gans heelal is Zijn gebied.
Wat Hij in liefde wil bewerken,
ontzegt Hem Zijn vermogen niet.
Uit: Liederen voor de Gemeentezang, Gezang 586:2
      Ned. Hervormde Bundel van 1938, Gezang 244:3

Stem:
Abraham bouwde een altaar, bond Isaak vast en legde de jongen op het altaar boven het hout.
Spartelde hij hevig tegen…? Gilde hij het uit…? Kende hij doodsangst…?
Of liet hij zich gewillig binden en op het altaar boven het hout leggen…?
Keek hij naar de intens droeve ogen van zijn vader…? Had hij hem horen zeggen: ‘Kind! Jongen! Mijn lieveling! Ik kan niet anders…?’
Keek hij naar omhoog, naar de hemel, toen zijn vader zijn hand uitstrekte en het mes nam om hem te doden…? We weten het niet. Wel weten we dat Abraham zijn zonen, onder wie Isaak, en zijn huisgenoten, onder wie knechten en slaven, over het dienen van de Here God had verteld (Genesis 18:19).
En wij? Zien wij naar de hemel, waar de Here Jezus is? (Handelingen 7:55) Hij is de weg (Johannes 14:6), ook wanneer de dood ons dreigt

Zingen:
Wat God doet, dat is welgedaan,
Zijn Woord eist mijn vertrouwen.
Hij leidt mij op de rechte baan,
‘k mag daar Zijn liefd’ aanschouwen.
Hij geeft mij kracht,
Zijn hulp, Zijn macht
redt mij uit smart en banden:
mijn lot rust in Zijn handen.
Uit: Ned. Hervormde Bundel van 1938, Gezang 186:2
     Joh. de Heer, Lied 398a:2

Stem:
De Here God wist, wat Hij deed. Hij vraagt geen mensenoffers; toen niet, nu niet en in de toekomst niet. Het is Hem een gruwel en een groot kwaad in Zijn ogen (Deuteronomium 18:10 en 12a).
De Here God is: Abba! Vader! In de Here Jezus wil Hij onze Hemelse Vader zijn.
Hoor! Nog voordat Abraham het mes omhoog hief (Genesis 22:10), riep de Engel des HEREN - de openbaring van de Here Jezus in het Oude Testament - van de hemel.

Schriftlezing: Genesis 22:11b-12
Abraham, Abraham! En hij zei: Hier ben ik.
En Hij zei: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat u godvrezend bent, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden.

Stem:
Door deze gebeurtenis wil de Here God iets van Zijn vaderhart laten zien. Hij wil iets laten proeven - ook al gaat het ver boven het menselijk verstand en gevoel - wat er in Zíjn hart omging, toen Zijn eniggeliefde Zoon, het Lam van God, werd geslacht voor de zondeschuld van heel de mensheid op het altaar Golgotha (Jesaja, hoofdstuk 53). Geslacht, ook voor u, jou en mij.

Zingen:
Vader God, ik ben vol lof en dank voor U.
Vader God, mijn handen hef ik op naar U.
Want Uw macht en liefde Heer,
verbazen mij, verbazen mij.
En ik sta aanbiddend voor U, Vader God.
Uit: Opwekking, Lied 291

Stem:
Abraham had in het geloof tot Isaak gezegd: ‘God zal Zichzelf voorzien van een lam voor het brandoffer.’ Deze woorden hebben een dubbele betekenis; toen, voor de situatie waar beiden in verkeerden en voor de toekomst. Ofwel: een profetisch woord. Het Lam van God zal worden geslacht!

Schriftlezing: Genesis 22:13
Toen sloeg Abraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Abraham ging en nam de ram en offerde hem voor het brandoffer in plaats van zijn zoon.
                                                                                                                                                              
Stem:
Bij de HERE Here zijn uitkomsten, ook tegen de dood. Voor het Lam van God had de Raad van God anders bepaald (Handelingen 2:23). Hij zou worden geslacht op het altaar Golgotha.
Laten we gaan naar de mooiste tuin, die de aarde heeft voortgebracht; de hof van Eden.

Schriftlezing: Genesis 2:8 en 9
Voorts plantte de HERE God een hof in Eden, in het Oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij geformeerd had.
Ook deed de HERE God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de boom des levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en kwaad.

Zingen:
O God, als oog en oor ’t aanbidd’lijk wonder
vernemen van Uw werken zonder tal;
de sterren pracht, het dreunen van de donder,
Uw kracht en heerlijkheid in ’t gans heelal:
Refr.   dan zingt mijn ziel tot U,
           mijn Heer, mijn Heil;
           hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij!
           Dan zing mijn ziel tot U,
           mijn Heer, mijn Heil,
           hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij!
           Uit Joh. de Heer, Lied 886:1

Schriftlezing: Genesis 2:16 en 17
En de HERE God legde de mens het gebod op: Van alle bomen in de hof mag u vrij eten,
maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult u niet eten, want ten dage, dat u daarvan eet, zult u voorzeker sterven.

Stem:
De engelen, geestelijke en dienende wezens, keken juichend toe, toen de aarde werd geschapen (Joh 38:6 en 7).
Ook op de zesde dag van Zijn scheppingswerk zag de Here God, dat alles wat Hij had gemaakt zeer goed was (Genesis 1:31). De tegenstander van de Here God - geschapen als engel (cherub) - kon dit niet uitstaan. Zijn gestalte was volmaakt geweest. Hij was vol van wijsheid en schoonheid. Hij droeg namen als ‘morgenster’ en ‘zoon van de dageraad’ (Jesaja 14:12). Vanaf de dag dat hij werd geschapen, was zijn wandel onberispelijk geweest, totdat…!
Hoogmoed, trots en onrecht plaats kregen in zijn hart. Boven alle tronen wilde hij zijn troon plaatsen. Aan de Here God wilde hij zich gelijk stellen; hij wilde zelf God zijn (Jesaja 14:13 en 14). Hierdoor verloor hij zijn wijsheid; deed hij zijn wijsheid teniet. Ook verloor hij zijn volmaakte gestalte; zijn van de Here God ontvangen heerlijkheid (Ezechiël 28:11, 15 en 17). Hij werd de tegenstander van de Here God, satan.
In zijn haat tegen zijn Schepper wilde satan niets liever dan het scheppingswerk van de Here God totaal vernietigen. Met deze gezindheid sloop hij in de hof van Eden. Uiteraard incognito. In de gedaante van een dier, een slang.

Schriftlezing: Genesis 3:4 en 5
De slang echter zei tot de vrouw: U zult geenszins sterven;
maar God weet, dat ten dage, dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en u als God zult zijn, kennende goed en kwaad.

Stem:
‘U zult geenszins sterven’, is de oudste leugen. ‘Als God willen zijn’, is de oudste religie.
‘Als God willen zijn’, is de drijfveer van satan; toen, nu en in alle eeuwen.
Kijk, wat gebeurde er? Eva stak haar hand uit naar de door de Here God verboden vrucht. En Adam? Hij was bij haar (Genesis 2:6b). Sloeg hij de door de Here God verboden vrucht uit haar hand?
Verbrijzelde hij de vrucht, die zo begeerlijk leek om wijs te worden, onder zijn voeten? Nee, beiden aten. Op hetzelfde moment stierven zij. Niet direct lichamelijk, maar wel geestelijk met als uiterlijk teken: hun naaktheid (Genesis 2:7). Zij waren niet meer bekleed met Gods heerlijkheid. Hoe moest dit nu, als straks de Here God in de hof wandelde? Wat moesten zij dan doen…?

Schriftlezing: Genesis 2:8
Toen zij het geluid van de HERE God hoorden, Die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de HERE God tussen het geboomte in de hof.

Stem:
In Zijn alwetendheid wist de Here God, dat Adam en Eva gegeten hadden van de door Hem verboden vrucht. Hij wist dat zij zich voor Hem verborgen hielden tussen de bomen. Door verleiding en ongehoorzaamheid waren zij in zonde gevallen. Hij wist dat door de zonde de dood zijn intrede in de wereld had gemaakt. Wat ging er in Zíjn hart om…? Hoor!

Schriftlezing: Genesis 2:9
En de HERE God riep de mens tot Zich en zei tot hem: Waar bent u?

Stem:
De Here God zoekt de in zonde gevallen en nu sterfelijke mens op. Zijn roep: ‘Mens, waar bent u?’ klinkt door héél de Bijbel. En ook vandaag klinkt deze roep tot u, jou en mij.

Schriftlezing: Romeinen 5:12
Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben.

Zingen:
Satan gaat rond als een briesende leeuw.
Daar is kracht in het Bloed! (2x)
Wilt u verlost zijn en witter dan sneeuw?
Daar is kracht in het Bloed van het Lam!
Refr.  Daar is kracht, kracht, wonderbare kracht
          in het Bloed van het Lam;
          daar is kracht, kracht, wonderbare kracht
          in het dierbaar Bloed van het Lam.
          Uit: Joh. de Heer, Lied 542:2
                 Liederen voor de Gemeentezang, Lied 566:2

Stem:
Adam en Eva hadden zich met schorten van vijgebladen bekleed (Genesis 3:7). De Here God maakte voor hen kleren van dierenvellen (huiden) en kleedde hen daarmee (Genesis 3:21).
Hadden, door de zondeval, enkele dieren elkaar in de hof van Eden al verscheurd…? Of had de Here God enkele dieren gedood om Adam en Eva te kleden…? We weten het niet, maar in de mooiste tuin die de aarde ooit heeft voortgebracht, vloeide bloed…!
In het bloed is het leven van mens en dier. Vloeit het bloed weg, dan vloeit het leven weg.
Het plan van de Here God: een persoonlijke relatie met de mens, de kroon van Zijn schepping, was door de zondeval niet mislukt. Op het altaar heeft Hij het bloed gegeven als verzoening tussen God en mens (Leviticus 17:11).  Want God is liefde, maar ook heilig. Hij kan in Zijn heiligheid geen gemeenschap hebben met een zondig en sterfelijk mens. God is ook rechtvaardig. Hij kan de zonde in Zijn rechtvaardigheid niet zomaar door de vingers zien.

Schriftlezing: Johannes 3:16 (Herziene Statenvertaling)
Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
                                                             
Zingen:  
Heugelijke tijding,
bron van hartverblijding,
evangeliewoord,
woord van God gegeven,
woord van eeuwig leven;
zalig, die U hoort!
Zalig hij, wiens harte
U met een onverwrikt vertrouwen,
leert op God te bouwen!
Uit: Joh. de Heer, Lied 589:1
      Ned. Hervormde Bundel van 1938, Gezang 113:1

Stem:
God de Vader verhinderde, dat Abraham zijn zoon Isaak offerde. Aan geen enkel mens vraagt Hij een menselijk offer. Maar Zelf offerde Hij - voor de door de zondeval gebroken wereld, verloren in schuld - Zijn eniggeboren Zoon, de Here Jezus Christus.

Gebed:
Vader in de hemel. Niemand, niemand is U gelijk. Het felste en diepste lijden, dat er ooit is geweest, trof  uw Vaderhart. U gaf als gevolg van de zondeval voor sterfelijke zondaren, het liefste wat U heeft, Uw eniggeboren Zoon.
Wíj kunnen slechts woorden van dank en liefde stamelen. En toch verblijdt juist dít uw Vaderhart.
Wilt U ons helpen, ook wanneer wij zelf diepe lijdenswegen gaan, het lijden van uw Vaderhart en het lijden van uw Zoon, de Here Jezus, voor ogen te houden? Sinds de zondeval is liefde ook lijden.

Zingen:
O, liefde Gods, oneindig groot,
ver boven ons verstand,
die zondaars weer een weg ontsloot
naar ’t hemels Vaderland!
Daartoe zond God van ’s hemelstroon
tot ’s mensen heil Zijn een’ge Zoon.
Ja! Amen, ja! Op Golgotha
vond ’t mensdom weer genâ.
Uit: Joh. de Heer, Lied 571:1
      Liederen voor de Gemeentezang, Lied 349:1

Stem:
Vóór de grondlegging van de wereld was de Here Jezus gekend als ‘het Lam van God, dat geslacht is’ (1 Petrus 1:19 en 20, Openbaring 13:8). Hij sprak: ‘Zie, hier ben Ik - in de boekrol staat van Mij geschreven - om Uw wil, o God, te doen (Hebreeën 10:7, Psalm 40:7-9).
De Raad van God had immers bepaald:
                            ‘Zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving’ (Hebreeën 9:22).

Zingen:
Geprezen zij de Heer
Die eeuwig leeft.
Die vol ontferming ieder troost
en alle schuld vergeeft.
Die al het aards gebeuren
vast in handen heeft.
Refr.   Hem zij de glorie,
          want Hij die overwon,
          zal nooit verlaten wat Zijn hand begon.
          Halleluja, geprezen zij het Lam,
          dat de schuld der wereld op Zich nam.
           Uit: Joh. de Heer, Lied 104:1
                 Liederen uit de Gemeentezang, Lied 325:1

Stem:
Het bloed van gave en éénjarige schapen en bokken kon de zonde bedekken (Psalm 32:1, Hebreeën 10:3 en 4), maar niet wegnemen. Het Bloed van het onberispelijke en vlekkeloze Lam van God, Gods eniggeboren Zoon, was nodig om zonden (= de vrucht van de zonde) te reinigen en weg te nemen (1 Johannes 1:7).

Schriftlezing: Galaten 4:4
Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet.

Stem:
Voor het Vaderhart van God betekende de komst van Zijn Zoon naar de aarde een lege plaats in de hemel, de transcendente (onzichtbare) wereld van de Here God.
De Here Jezus, Zoon van God en Zoon van de mensen, is de uniekste Persoon, Die ooit op aarde heeft geleefd, gewoond en gewerkt. Hij groeide op als Jood in een Joods gezin. At voedsel naar de Joodse spijswetten (Leviticus 11:1-47). Hij bezocht de synagoge en ging met de Joodse feesten, het Paas-, Pinkster- en Loofhuttenfeest, naar de Tempel in Jeruzalem (Exodus 23:14-17). Hij kleedde Zich als een Jood (Numeri 15:37-41, Marcus 6:56). Timmerman werd Hij, net als Zijn pleegvader Jozef (Matteüs 13:55).
Op welke leeftijd Hij wist het Lam van God te zijn waar de Schriften over spreken? We weten het niet. Wel dat Hij op twaalfjarige leeftijd tot pleegvader Jozef en moeder Maria sprak:

Schriftlezing: Lucas 2:49b en 50
Wist u niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen van Mijn Vader? En zij begrepen het woord niet, dat Hij tot hen sprak.

Stem:
Op dertigjarige leeftijd begon de Here Jezus Zijn driejarige openbare dienst; het werk waartoe de Here God Hem naar de aarde had gezonden. In deze drie jaar deed Hij veel meer dan in de Bijbel staat geschreven (Johannes 21:25).
Vanaf Zijn menswording had Hij Zich vernederd en Zijn Godheid en heerlijkheid afgelegd. De liefde van God Zijn Vader, de hemelse sfeer en harmonie, en de aanbidding van de engelen, verliet Hij. Aan de mens werd Hij gelijk (Filippenzen 2:7), maar zonder te zondigen (2 Korintiërs 5:21). Hij had menselijke eigenschappen en kende slaap, dorst, vermoeidheid, etc.
Johannes de Doper, Zijn wegbereider waar de profeet Maleachi over had geprofeteerd (Maleachi 4:5 en 6), zag de Here Jezus en sprak:

Schriftlezing: Johannes 1:29
De volgende dag zag Johannes de Doper (de Here) Jezus tot zich komen en zei: Zie, het lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt.

Zingen:
Op het Godslam rust mijn ziele,
vol bewond’ring bidt zij aan;
alle, alle mijne zonden
heeft Zijn zoenbloed weggedaan.
Uit: Joh. de Heer, Lied 809:1

Stem:
Hoe groot de toorn van de Here God is om de zonden, wereldwijd, door alle eeuwen heen? Niemand kan het bevatten, behalve Hij, Die Gods toorn om onze zonden gedragen heeft: de Here Jezus.
In de nacht voorafgaande aan het verraad, Zijn lijden en sterven ‘zong’ de Here Jezus!
Hij én Zijn elf discipelen zongen ‘het Hallel’, De Lofzang (Psalm 113-118, Matteüs 26:30).
Wat zal er in Zijn hart zijn omgegaan toen Hij bijvoorbeeld zong:  

Schriftlezing: Psalm 116:3
Banden van de dood hadden mij omvangen, angsten van het dodenrijk hadden mij aangegrepen, ik ondervond benauwdheid en smart.

Schriftlezing: Psalm 116:13
De beker van de verlossing zal ik opheffen, ik zal de Naam van de HERE aanroepen.
                                                                                                                                                            
Schriftlezing: Psalm 118:29
Looft de HERE, want Hij is goed,
ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Stem:
Na het eten van het Pascha en het zingen van De Lofzang verliet de Here Jezus met Zijn elf discipelen de Bovenzaal. Zij gingen naar de overzijde van de beek Kidron, waar de hof van Getsemane is (Johannes 18:1). Deze hof gingen zij binnen…
In de hof van Eden had de zondeval plaats; de dood deed zijn intrede in de wereld. In de hof van Getsemane begon de climax van het lijden van de Here Jezus tot redding van de mens, verzoening met de Here God en uitkomsten tegen de dood. Het was de ure van de macht van de duisternis (Lucas 22:53).

Schriftlezing: Marcus 14:32b-37                                      
… en Hij zei tot zijn discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik bid.
En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes mee. En Hij begon zeer ontsteld en beangst te worden,
en Hij zei tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt.
En Hij ging een weinig verder, en Hij wierp Zich ter aarde en bad, dat, indien het mogelijk waren, die ure aan Hem zou voorbijgaan,
en Hij zei: Abba, Vader, alles is U mogelijk, neem deze beker van Mij weg. Doch niet wat Ik wil, maar wat U wilt.

Gebed:
Vader in de hemel. U bent ‘de Hoorder van het gebed’ (Psalm 65:3). Wilt U ons helpen om in alle situaties te bidden: ‘Abba, Vader, alles is U mogelijk, maar niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde?’

Zingen:
’t Is middernacht en in de hof,
buigt, tot de dood bedroefd, in ’t stof
de Levensvorst; in Zijn gebeên
doorworstelt Hij Zijn strijd alleen.

’t Is middernacht, maar Jezus waakt,
en ’t zielenlijden, dat Hij smaakt,
bant in Zijn hart de bede niet:
‘Mijn Vader, dat Uw wil geschied’.
Uit: Evangelische Liedbundel, Lied 65:1 en 3
      Joh. de Heer, Lied 280:1 en 3

Stem:
God de Vader hoorde het gebed van Zijn Zoon. Er verscheen een engel om Hem kracht te geven; kracht om te lijden (Lucas 22:43). Kracht om de beker met het bitterste lijden tot de laatste druppel leeg te drinken. Maar Zijn discipelen sliepen, niet in staat één uur met Hem te waken (Matteüs 26:40).

Zingen:
Leer mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten,
in deze zee verzinken mijn gedachten:
o liefde die, om zondaars te bevrijden,
zo zwaar moest lijden.

Laat mij, o Heer, Uw wondre wijsheid prijzen,
dwaasheid en ergernis voor wereldwijzen,
laat mij Uw kruis dat sterken zwakheid noemen
als sterkte roemen.
Uit: Liedboek van 1973, Lied 177:1 en 7
      Liederen voor de Gemeentezang, Lied 204:1 en 7

Stem:
Judas, één van Zijn twaalf discipelen verraadde de Here Jezus met het teken van vriendschap, genegenheid en liefde; een kus! (Marcus 14:44 en 45)
En hoor! De Here Jezus sprak tot Petrus:

Schriftlezing: Matteüs 26:52-54
Breng uw zwaard weer op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.
Of meent u, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen* engelen terzijde stellen? (* Een legioen is vijf- à zesduizend engelen.)
Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?

Stem:
De afdeling soldaten en de overste en de dienaars van de Joden namen (de Here) Jezus gevangen en boeiden Hem (Johannes 18:12).

Schriftlezing: Matteüs 26: 55 en 56
Op dat ogenblik sprak (de Here) Jezus tot de scharen: Als tegen een rover bent u uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen?
Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar u hebt Mij niet gegrepen.
Doch dit alles is geschied, opdat de schriften van de profeten in vervulling zouden gaan. Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten.

Stem:
Die nacht stond de Here Jezus drie keer terecht voor de leden van het Sanhedrin; het hoogste bestuurs- en rechtscollege van Israël (Johannes 18:13, Matteüs 26:57; 27:1). Valse getuigen traden op...
De godsdienstige leiders veroordeelden Hem ter dood wegens godslastering.
Hij werd in het gezicht gespuwd en geslagen (Matteüs 26:59, 65-67).
Petrus, één van de twaalf discipelen ontkende drie keer dat hij de Here Jezus kende (Lucas 22:54-62).
Dit alles verwondde zo onmenselijk diep het liefdevolle en rechtvaardige Hart van de Here Jezus, dat geen zonde kende.

Zingen:
O allerheiligst, onuitspreeklijk wonder:
de Rechter zelf gaat aan het recht ten onder.
O wreed geding; wie kan geheel doorgronden
de vloek der zonden.
Uit: Liedboek 1973, Gezang 177:3
      Liederen Gemeentezang, Lied: 204:3

Stem:
De Here Jezus stond ook drie keer terecht voor een heidense rechtbank.
De Tenach vermeldt: Op Godslastering staat de doodstraf door steniging. Maar leden van het Sanhedrin brachten de ter dood veroordeelde Here Jezus voor de Romeinse stadhouder Pilatus. Na ondervraging stuurde hij Hem naar koning Herodes. Deze ondervroeg en bespotte Hem, deed Hem een spotkleed om en stuurde Hem zó naar Pilatus terug. Opnieuw ondervroeg Pilatus Hem, maar vond geen kwaad in Hem.
Toch liet hij Hem geselen (Lucas 23:1-22). Na de geseling werd Hij door de Romeinse soldaten bespot.

Schriftlezing: Marcus 15:16-19
De soldaten nu leidden Hem weg tot binnen het hof, dat is het gerechtsgebouw, en riepen de hele afdeling bijeen.
En zij trokken Hem een purperen kleed aan en zetten Hem een kroon op, die zij van doornen gevlochten hadden.
En zij begonnen Hem te begroeten: Wees gegroet, U Koning der Joden!
En  zij sloegen Hem met een riet op het hoofd en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en bewezen Hem hulde.
                                                                                                                                                            
Zingen:
O Hoofd vol bloed en wonden,
bedekt met smaad en hoon,
o Hoofd zo wreed geschonden,
Uw kroon een doornenkroon,
o Hoofd eens schoon en heerlijk
en stralend als de dag,
hoe lijdt U nu zo deerlijk!
Ik groet U vol ontzag.

O Hoofd zo hoog verheven,
o Goddelijk gelaat,
waar werelden voor beven,
hoe bitter is Uw smaad!
U, eens in ’t licht gedragen,
door engelen omstuwd,
wie heeft U zo geslagen,
gelasterd en gespuwd?

Wanneer ik eens moet heengaan,
ga U niet van mij heen,
laat mij dan niet alleen gaan
niet in de dood alleen.
Wees in mijn laatste lijden,
mijn doodsangst, mij nabij.
O God, sta mij terzijde,
Die lijdt en sterft voor mij.
Uit: Liedboek 1973, Gezang 183:1, 2 en 6

Stem:
Na de geseling en bespotting gaf Pilatus de Here Jezus over om gekruisigd te worden (Marcus 15:15).
Op de schedelplaats Golgotha kruisigde zij Hem (Marcus 15:22-24).

Zingen:
Als ik in gedachten sta
bij het kruis van Golgotha,
als ik hoor wat Jezus sprak,
voor Zijn oog aan ’t kruishout brak.
Uit: Evangelische Liedbundel, Lied 114:1
      Ned. Hervormde Bundel van 1938, Gezang 46:1

Stem:
Vier keer had de Here Jezus Zijn lijden, sterven en opstanding uit de dood voorzegd (Matteüs 16:21; 17:22 en 23; 20:18 en 19; 26:1 en 2).
Als de Joden Zijn kruisdood niet hadden begeerd en geëist, de Romeinen (heidenen) geen toestemming hadden verleend en Hem niet gekruisigd hadden (Marcus 15:12-15); wat dan…?
De Schriften omtrent Zijn lijden, sterven en opstanding uit de dood waren dan niet vervuld en onbetrouwbaar! Dood was dan dood!
Joden en heidenen zijn verantwoordelijk voor de kruisdood van de Here Jezus, zoals ieder weldenkend mens verantwoordelijk is voor zijn daden. Dit neemt niet weg dat Zijn kruisdood Hem ook van Boven was opgelegd
(1 Korintiërs 2:7 en 8, Jesaja 53:10).
Voor de grondlegging van de wereld is de Here Jezus gekend, als het Lam van God (1 Petrus 1:19 en 20, Openbaring 13:8).

Zingen:
Lam God, dat zo onschuldig,
zo moedig en geduldig,
aan ’t schand’lijk kruishout lijdt,
verdienden niet mijn zonden
die striemen en die wonden?
Ja, ‘k weet, dat U onschuldig bent!

Niet U, neen ik moest sterven
en ´s Vaders liefde missen
in eindeloze pijn!
Toen sloeg G´ op mij Uw ogen
in godd´lijk mededogen,
en wilde mijn Verlosser zijn.
Uit:  Ned. Hervormde Bundel van 1938, Gezang 39:1 en 2

Stem:
Wat ging er in het Hart van de Here Jezus om toen Hij aan Handen en Voeten vastgespijkerd hing aan het houten kruis?
Zou Hij spijt hebben, dat Hij Zijn Godheid, majesteit en heerlijkheid had afgelegd…?
Zou Hij spijt hebben, dat Hij de heerlijkheid van de hemel had verlaten…?
Zou Hij spijt hebben, dat Hij deze vreselijke lijdensweg is gegaan…?
Zouden Zijn tanden knarsen van woede, omdat Zijn goddelijke Liefde wordt beantwoord met dodelijke haat…?
Zou er een vloek in Zijn hart leven voor Joden en heidenen…?
Zou Hij protesteren tegen dit gruwelijke onrecht…?
Zou Hij gaan beschuldigen…?
Zou Hij gaan verwijten…?
Zou Hij Zich gaan verdedigen…?
Zou Hij Zich gaan rechtvaardigen…?
De laatste woorden van een stervende zijn belangrijk.

Zingen:
Liefd’, in U is al ons leven;
U, U bent ons hoogste goed.
Ja, Uw kruis heeft ons gegeven,
wat ons eeuwig juichen doet.
O, hoe zijn w’ aan U verbonden,
Jezus, Redder, ’s Vaders Zoon!
Onze harten, onze monden,
juichen dankbaar tot Uw troon!
Uit: Joh. de Heer, Lied 399:3
      Ned. Hervormde Bundel van 1938, Gezang 51:3

Stem:
Als een vervloekte (Deuteronomium 21:23) hing de Here Jezus vastgespijkerd aan het vloekhout. Hij leed helse pijnen naar lichaam, ziel en geest. Alles was Hem ontnomen, maar Zijn liefde voortvloeiend uit Zijn wezen kón Hem niet ontnomen worden. Zijn liefde bloeide als nooit tevoren, terwijl Zijn lichaam bloedde. Zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving (Hebreeën 9:22).
Liefde voor God Zijn Vader; liefde voor een gebroken wereld, verloren in schuld; liefde voor u, jou en mij; liefde voor de Schriften, het Woord van God.
Gedurende de zes lange uren van Zijn kruislijden, waren Zijn laatste woorden ‘zeven kruiswoorden’:

Schriftlezing:
Vader, vergeef het hun, want wij weten niet wat zij doen (Lucas 23:34).
Vrouw, zie, uw zoon. Zoon, zie uw moeder (Johannes 19:26b en 27).
Voorwaar, Ik zeg u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn (Lucas 23:43).
Eli, Eli, lama sabachtani? Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? (Matteüs 27:46)
Mij dorst! (Ik heb dorst!) (Johannes 19:28)
Het is volbracht! (Johannes 19:30b)
Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest (Lucas 23:46).

Zingen:
O, heilig Lam van God,
U hebt op Golgotha
heerlijk getriomfeerd.
Amen, halleluja.
U droeg als ’t Offerlam,
ons aller zondeschuld
en hebt tot aan het kruis
Gods recht en wet vervuld.
Toen riep Uw liefdestem
in onze nacht:
Het is volbracht! Het is volbracht!
Uit: Opwekking, Lied 227:1

Gebed:
Liefdevolle Here Jezus. Nooit, nooit genoeg kunnen wij U aanbidden, eren, danken en liefhebben, als antwoord op Uw liefde. De straf, die ons de vrede aanbrengt (Jesaja 53:5), droeg U. U verzoende ons met God de Vader (2 Korintiërs 5:18) en opende de weg tot de troon van Gods genade (Hebreeën 4:16).
Laat ons Uw liefde niet afwijzen, maar gehoor geven aan het doel waarvoor we geschapen zijn: een persoonlijke relatie met U (1 Korintiërs 1:9); nu, straks en tot in eeuwigheid? Dat ons hart mag branden van liefde voor U?

Zingen:
O, welk een wond’re Verlosser
vond ik in mijn Heiland en Heer.
Lofprijs vervult nu mijn harte,
mijn zonden gedenkt Hij niet meer.
Refr.  Genade kocht mij vrij! (2x)
          Mijn ziele juicht: Halleluja!
          Genade kocht mij vrij!
          Uit: Opwekking, Lied 217:1

Schriftlezing: Matteüs 27:59 en 60
En Jozef (van Arimatea) nam het lichaam (van het kruis) en wikkelde het in zuiver linnen,
en hij legde het in zijn nieuw graf, dat hij in de rots had laten uithouwen, en na een grote steen voor de ingang van het graf te hebben gewenteld, ging hij heen.

Stem:
Op de Sabbat rustte het overleden en door de vuistslagen, geseling, doornenkroning en kruisiging, zo zwaar geschonden Lichaam van de Here Jezus in het graf.
Een graf dat niet voor Hem bestemd was, maar voor een ander; voor Jozef van Arimatea. In het verlengde hiervan: De Here Jezus rustte plaatsvervangend in het graf bestemd voor u, jou en mij…! Hij gaf Zijn leven, Zijn Bloed, zo heel persoonlijk voor u, jou en mij…!

S t i l t e

Het Licht wordt binnengebracht

Stem:     
Het Licht der wereld is reddend verschenen

Schriftlezing: Matteüs 28:1-7a
Laat na de sabbat, tegen het aanbreken van de eerste dag van de week, ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien.
En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel van de Here daalde uit de hemel neer en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette zich daarop.
Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw.
En de bewakers werden door vrees voor hem bevangen en zij werden als doden.
Doch de engel antwoordde en zei tot de vrouwen: Weest u niet bevreesd; want ik weet, dat u Jezus zoekt, de gekruisigde.
Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeft.
En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden.

Zingen:
Jezus leeft, en wij met Hem:
dood, waar is uw schrik gebleven?
Jezus leeft, en Zijne stem
roept ook ons eens weer tot leven,
zal ons eens met eer bekleên:
dit is onze troost alleen!
Uit: Ned. Hervormde Bundel van 1938, Gezang 62:1

Stem:     
Het Licht verspreidt zich! (Enkele personen steken hun kaars met het licht van de paaskaars aan.)                                                                                                                                               
Zingen:
Jezus leeft, nu is de dood
ons een ingang tot het leven.
Welk een rust in stervensnood
zal dit woord ons harte geven.
U, o Heiland, U alleen,
U bent onze troost alleen!
Uit: Ned. Hervormde Bundel van 1938, Gezang 62:4

Stem:
Het Licht verspreidt zich verder! (De personen die hun kaars met het licht van de paaskaars hebben aangestoken,  
                                                          steken met deze kaars de waxinelichtjes (kaarsen), die op tafel staan, aan.)

De aanwezigen zeggen:
‘Die God is ons een God van uitreddingen, bij de HERE Here zijn uitkomsten tegen de dood
(Psalm 68:21) .                                                                                                                                                           
Ja! Amen, halleluja!’

Zingen (voor zover mogelijk staande):
U zij de glorie, opgestane Heer!
U zij de victorie, nu en immermeer.
Uit een blinkend stromen,
daald’ een engel af,
heeft de steen genomen
van ’t verwonnen graf.
U zij de glorie, opgestane Heer!
U zij de victorie, nu en immermeer.
                                                                                                                        
Ziet Hem verschijnen, Jezus onze Heer!
Hij brengt al de zijnen in Zijn armen weer.
Weest dan volk des Heren,
blijd’ en welgezind,
en zegt telkenkere: Christus overwint!
U zij de glorie, opgestane Heer,
U zij de victorie, nu en immermeer.

Zou ik nog vrezen, nu Hij eeuwig leeft,
die mij heeft genezen, die mij vrede geeft?
In Zijn godd’lijk wezen, is mijn glorie groot,
niets heb ik te vrezen in leven en dood.
U zij de glorie, opgestane Heer,
U zij de victorie, nu en immermeer.
Uit: Opwekking, Lied 213

P a u z e

Koffie-, theedrinken of gemeenschappelijke broodmaaltijd

N a   d e   p a u z e

Schriftlezing: Lucas 24:30-34
En het geschiedde, toen Hij met hen (de Emmaüsgangers) aanlag, dat Hij het brood nam, de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte.
En hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij verdween uit hun midden.
En zij zeiden tot elkaar: Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?
En zij stonden op en keerden terzelfder tijd terug naar Jeruzalem en zij vonden de elven en die bij hen waren, vergaderd,
en dezen zeiden: De Here is waarlijk opgewekt en is aan Simon (Petrus) verschenen.

Zingen: Slotlied
Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
Dit is het, wat mij troost hier geeft.
Hij leeft, die voor mij stierf.
Hij leeft! Dit maakt mij altijd blij.
Hij leeft! Mijn Heiland, die voor mij
een levenskroon verwierf.

Refr. Hij leeft! Hij leeft!
        Ik weet, dat mijn Verlosser leeft,
        Hij leeft! Hij leeft!
        Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.

Hij leeft! Verrezen uit het graf!
Hij leeft! Die ’t leven voor mij gaf!
Ik zing van Hem, Die leeft.
Hij leeft, Die mij zo teer bemint.
Hij leeft! Die mij, Zijn dierbaar kind,
het eeuwig leven geeft.
Refr. Hij leeft! Hij leeft!

Hij leeft! Waar Hij ons plaats bereidt.
Haast komt Hij weer in heerlijkheid.
Dit geeft tot juichen stof.
Wat vreugd’ is die verzeek’ring mij,
dat mijn Verlosser leeft voor mij;
Zijn naam zij eeuwig lof.
Refr. Hij leeft! Hij leeft!

U, die nog niet voor Jezus leeft,
neemt aan het leven, dat Hij geeft.
Geen leven zonder Hem!
Hij leeft! Hij roept u: ‘Komt tot Mij!’
Hij leeft! O, vlucht nu aan Zijn zij,
dan leeft ook u voor Hem.
Refr. Hij leeft! Hij leeft!
Uit: Joh. de Heer, Lied 113:1, 3, 4 en 5
      Liederen voor de Gemeentezang, Lied 219:1,3, 4 en 5

Dankgebed (door iemand van de aanwezigen)

Wij wensen u (jou) een blij, gezegend Paasfeest!

Reageren of liturgie downloaden? Zie 'contact'

Terug naar de inhoud