Leren door vragen: Uit dit boek - Corry B. Brauckman

Title
Ga naar de inhoud

 
Nieuwjaar van de bomen - Toe Bisjwat
(15e sjewat 5779,  van ’s avonds 20 tot ’s avonds 21 januari 2019)

Het Nieuwjaar van de bomen wordt in de Thora niet genoemd.
  De Joodse feestkalender rekent het Nieuwjaarfeest van de bomen tot de ‘half-feestdagen’. Het is een feestdag waarop wordt gewerkt. Het wordt gevierd op de vijftiende sjewat (januari/februari).

De amandelboom
De 15e sjewat valt midden in de regen- en wintertijd. In deze periode slapen de bomen en ze lijken dor en dood. Eén boom vormt een uitzondering: de amandelboom! Hij is ontwaakt en kan al in prachtige bloesemtooi staan. In Israël wordt deze boom de ‘wakende boom’ genoemd. Hij is wakker en waakt totdat de andere bomen, op hun tijd, ontwaken.
  De amandelboom is een sprekende boom zonder woorden; een teken van hoop. Want nog even en de bomen, die dor en dood lijken, zullen ontwaken. Het nieuwe leven zal ontluiken. Knoppen zullen openspringen, nieuw leven en bruidstooi zullen door de bomen ten toon worden gespreid.
  Omstreeks het jaar 628 voor Christus vroeg de Here God aan Zijn nog jeugdige dienaar, de profeet Jeremia: ‘Wat zie je, Jeremia?’ Hij antwoordde: ‘Ik zie een amandeltwijg.’ De Here God sprak: ‘Dat is goed.’ Hij vervolgde: ‘Ik waak over Mijn woord om dat te doen’ (Jeremia 1:11 en 12). Met andere woorden: hoe dor en dood het leven ook kan lijken, er is één uitzondering: het Woord van de Here God. Zijn Woord is niet dor of dood, maar vol leven (Psalm 119:25).
  De amandelboom waakt totdat de andere bomen op hun tijd ontwaken. Evenzo ziet de Here God wakend toe. Alles wat in Zijn Woord geschreven staat, moet in vervulling gaan en tot leven komen. Niet op de tijd en wijze van mensen, maar op de tijd die de Here God bepaalt en op Zijn wijze. Nauwlettend ziet Hij toe - slapen of sluimeren kan Hij niet (Psalm 121:4) - dat heel Zijn Woord in vervulling gaat.

De leeftijd van een boom
Hoe oud is deze boom? Wanneer is hij geplant? Uit belangstelling worden deze vragen gesteld, maar ze zijn voor velen niet relevant. In het Jodendom ligt dit anders. Daar is de leeftijd van een boom wel degelijk van betekenis.

Er is al opgemerkt: Het Nieuwjaar van de bomen wordt in de Thora niet genoemd. En toch geeft juist de Thora aanleiding om de leeftijd van een boom te weten, op grond van een mitzwa (gebod, leefregel).
  De Here God zegt in het derde Boek van de Thora: ‘Wanneer een boom wordt geplant, dan zijn de vruchten de eerste drie jaar verboden’ (Leviticus 19:23). Dit heeft tot gevolg, dat gedurende de eerste drie jaar alle knoppen van de bloesems worden weggenomen. Om hieraan gehoor te geven, moet men weten hoe oud een boom is.
  Wie het wegnemen van de bloesemknoppen vreemd, eigenaardig en verkwistend vindt, vergist zich. Kwekers van bomen weten: het is juist heel goed voor een boom gedurende de eerste drie jaar geen vrucht te dragen. De boom kan dan alle kracht besteden aan groei en vorming. Dit bevordert in latere jaren de vruchtzetting.
  De mitzwa vervolgt: “In het vierde jaar moet de opbrengst van de vruchten naar de Tabernakel (Tempel) worden gebracht” (Leviticus 19:24). Ofwel: in het vierde jaar is de opbrengst van de vruchten voor de Here God.
  Is dit vreemd? Een overspannen denkwijze misschien? Nee! Deze mitzwa doet ons herinneren aan Wie de Here God is: de Schepper van hemel en aarde. De ganse schepping behoort Hem toe (Psalm 24:1), ook de vruchten. Door in het vierde jaar de opbrengst aan de Here God te geven, brengt Zijn volk Hem de lof en de eer, die Hem toekomt.
  Anderzijds: alles kost geld. In die tijd onder meer het onderhoud aan de Tabernakel (later Tempel) en het levensonderhoud van de hogepriester, priesters en levieten. Maar…, ten diepste láát de Here God Zich niet geven. Waar uit liefde tot Hem wordt gegeven, vermenigvuldigt Hij op Zijn tijd. Voor het vijfde jaar belooft Hij, bij gehoorzaamheid aan deze mitzwa, een overvloedige oogst aan vruchten. Deze vruchten mogen alle worden gegeten (Leviticus 19:25).
  Op grond van de mitzwa in Leviticus 19:23-25 hebben de rabbijnen een vaste datum gesteld, waarop de bomen verjaren: de 15e sjewat (januari/februari). Op deze dag wordt het ‘Nieuwjaar van de bomen’ gevierd.  

Aandacht voor de natuur
Op de zesde dag schiep de Here God de mens. Zijn naam, Adam, betekent: uit de (rode) aarde. Waar moest hij wonen? Een paleis? Een villa? Een bungalow of misschien een tent? De Here God bedacht iets anders. Hij mocht wonen in de natuur. De Here God plaatste hem in een prachtige tuin, de hof van Eden (Genesis 2:8). Daar waren allerlei dieren en velerlei soorten struiken en bomen met heerlijke vruchten. Een lui en saai leven had hij niet. De Here God wilde onder meer, dat hij aandacht en zorg zou besteden aan deze prachtige tuin (Genesis 2:15).

Aandacht en zorg voor de natuur, waaronder bomen, vraagt in de eerste plaats bewust zijn, betrokkenheid en ogen die willen zien. Naast de vaak majestueuze schoonheid van bomen, leert de natuur ons lessen die kostbaar zijn. Alleen, zien wij het? Twee belangrijke lessen die onder meer afgeleid kunnen worden van bomen:
- Knoppen, jonge bladeren en bloesems eisen van veel bomen dat zij eerst hun oude bladeren laten vallen, ofwel:
  leven door sterven.
- De prachtige bloesems schenken vreugde en verwondering om hun schoonheid. Toch mag het niet bij bloesem
  blijven. Het uiteindelijke doel is: vrucht dragen!
Een struik of boom wordt geplant en niet zomaar even neergezet. Een boom planten geeft vreugde; het is een teken van hoop en toekomst.

De schooljeugd
In de Tenach wordt het Nieuwjaar van de bomen ook niet genoemd. Ceremoniële voorschriften zijn er niet.  
Aspecten als ‘aandacht, zorg, ogen die willen zien, vrucht dragen, vreugde, hoop en toekomst’, vinden we bij het Nieuwjaar van de bomen.
  Sinds het begin van de twintigste eeuw is het Nieuwjaar van de bomen in Israël officieel een dag, waarop door de schooljeugd boompjes worden geplant, duizenden jonge boompjes.
  Op deze feestdag eten de Joden, niet alleen in Israël, maar overal ter wereld, zoveel mogelijk fruit afkomstig uit Israël. Veelal eet men eerst de vruchten waarvan de schil niet gegeten kan worden, zoals sinaasappelen en grapefruit. Daarna vruchten met een harde pit, zoals olijven en pruimen. En tot slot vruchten die in zijn geheel kunnen worden gegeten, zoals vijgen, dadels en rozijnen. Bovendien eet men amandelen. Deze vrucht is ‘de traktatie’ op het Nieuwjaar van de bomen.

Vrijwel geen bomen
Een land vrijwel zonder bomen, verwoest, dor, moerassig, overwoekerd door dorens en distels…! Deze aanblik bood Palestina (Israël) in de periode, dat het land door de Ottomanen (Turken) werd overheerst (1517-1917). Toch waren er enkele kleine Joodse gemeenschappen, onder andere in Jeruzalem, Hebron, Sichem en Haifa. Eveneens zwierven groepen Bedoeïenen met hun kudden door het land. Er woonden ook wat Arabische boeren. De meesten van hen werkten op het land van afwezige Turkse landheren.
  Palestina, zo werd het land Israël in het jaar 135 door de Romeinse keizer Hadrianus genoemd. Dit  gebeurde nadat de Romeinen de opstand van de Joden (131-135), onder leiding van Simon Bar-Kochba, bloedig hadden neergeslagen.

De naam Israël voorgoed uitwissen
Palestina was niet zomaar een naam, maar de naam van het land van de Filistijnen. Eeuwenlang waren zij de vijanden van Israël geweest (Richteren 14:4; 15:1-16:31, 1 Samuël 17:1-58; 31:1, Ezechiël 25:15). De naam Israël voorgoed uitwissen, was één van de maatregelen van keizer Hadrianus om de Joodse godsdienst en cultuur te breken. Israël betekent ‘strijder Gods’ (Genesis 32:28). De Joden hadden geen enkel recht meer op hun land. Zó werd gedacht, gesproken en gehandeld. In Zijn Woord laat de God van Israël op veel plaatsen het tegendeel zien (Deuteronomium 30:3-5, Jeremia 16:15, Ezechiël 11:17; 39:27 en 28). Niettemin moesten de Joden eeuwenlang de belediging dragen, dat het land Israël ‘Palestina’ werd genoemd. In 1948 kwam hier een einde aan. De Joden namen het bestuur van hun land in eigen handen en riepen ‘de staat Israël’ uit.

Alija
Gedurende vele eeuwen hebben miljoenen Joden, verstrooid over de hele wereld (diaspora), het diepe verlangen om terug te keren naar hun land in hun gebeden bij de levende God neergelegd (Ezechiël 36:37 en 38).
De terugkeer van de Joden naar hun historische vaderland wordt ‘alija’ genoemd. De eerste alija vond plaats in de jaren 1881-1903 en wordt wel ‘de alija van de boeren’ genoemd. Voor vaak buitengewoon hoge prijzen werden stukjes land gekocht van de Ottomanen. In het jaar 1901 werd het Joods Nationaal Fonds opgericht. Het kocht land en droeg zorg, dat het Nieuwjaar van de bomen voor de schooljeugd officieel een dag werd om jonge boompjes te planten. Tot op heden draagt het zorg voor de aanleg van parken en bossen.
  De tweede alija had plaats in de jaren 1904-1914.

In de periode 1881-1914 verlieten tweeëneenhalf miljoen Joden Oost-Europa. Aanleiding was het extreme geweld tegen de Joden, de pogroms. Een klein deel, ongeveer veertigduizend Joden, vestigde zich in het land van hun voorvaderen. Twee miljoen Joden vestigden zich in de Verenigde Staten.
  De treurige toestand waarin hun land zich bevond, schrok de Joden uit de eerste en tweede alija niet af. Zij waren de pioniers die het land hielpen ontwaken. Ze verwijderden de puinhopen, zuiverden de grond van stenen, legden moerassen droog, verwijderden dorens en distels, ontgonnen woestijnen, legden watersystemen aan, etc. Ze zaaiden en plantten vele struiken en bomen. Maar groei, wasdom en vruchten geven…? Dit kan geen mens. Daar is de zegenende hand van de Here God voor nodig. En de God van Israël zegende! (Ezechiël 36:36) Zijn Woord, door de profeten op diverse plaatsen in de Tenach voorzegd, ging in vervulling. Het land werd weer vruchtbaar! (Jesaja 41:19 en 20, Ezechiël 36:8 en 9)

Bomen zijn belangrijk voor elk land, zeker voor landen met een warm klimaat zoals in Israël. Ze houden met hun wortels de aarde vast. Nemen koolstofdioxide op uit de lucht en geven zuurstof. Bieden bescherming en voedsel aan dieren. Geven schaduw, vruchten en water. Ze zijn tekenen van leven, hoop en toekomst.
  De toekomst! Zij ligt in de Hand van de God van Israël, Hij is de Eerste en de Laatste; buiten Hem is er geen God (Jesaja 44:6)
.
Terug naar de inhoud