Leren door vragen: Uit dit boek - Corry B. Brauckman

Title
Ga naar de inhoud

Chanoekafeest 2018 (5779)
Een acht dagen durend feest
van zondagavond 2 tot maandagavond 10 december 2018 ( kislev 5779)
Het feest wordt gevierd als een ‘lichtfeest’.
De (her)inwijding van de tweede Tempel in Jeruzalem wordt herdacht.
Het Chanoekafeest behoort tot de ‘half-feestdagen’. Op deze feestdagen wordt - in tegenstelling tot de feesten in de Thora vermeld - gewerkt. Een uitzondering vormt de tijd ’s avonds, als thuis het chanoeka-licht brandt, dan wordt er geen werk verricht.

Syrische legermachten
Als bevelhebber van het leger, trouw bijgestaan door zijn broers, kwam Judas de Makkabeeër, zoon van de overleden priester Mattathias, met zijn mannen tegenover steeds grotere Syrische legermachten te staan. Voor de strijd sprak Judas zijn mannen moed in. Ook al stonden ze tegenover een overmacht, de overwinning was niet afhankelijk van het aantal. Hij wees naar hun voorvaderen. Ook zij hadden - op dezelfde wijze als zij nu - moeten strijden tegenover legermachten, vele malen groter dan zij. De Here God kon evengoed door weinigen als door velen de overwinning geven. Dit gebeurde. De Here God deed het onmogelijke: elke keer weer gaf Hij de Makkabeeën de overwinning. Nadat het leger van de Makkabeeën van tienduizend man het Syrische leger van zestigduizend soldaten en vijfduizend ruiters de nederlaag had toegebracht, vond Judas het tijd om naar Jeruzalem te trekken. De Tempel wilde hij reinigen, opdat, zoals de Thora voorschrijft, aan de God van Israël offers werden gebracht.

De herinwijding van de Tweede Tempel (165 voor Christus) en het Chanoekafeest
De aanblik van de Tempel - waar Antiochus IV Epiphanes als een beest had huisgehouden, zijn soldaten de verwoesting hadden voltooid en waar het onkruid in de voorhoven weelderig groeide - moet Judas de Makkabeeër en zijn mannen met ontzetting en groot verdriet hebben vervuld.
Zorgvuldig werd de Tempel gereinigd en hersteld. Priesters werden aangesteld. De bekende voorwerpen, waaronder het reukofferaltaar, de tafel van de toonbroden en de zevenarmige kandelaar werden opnieuw gemaakt, van goud uit de buit van het Syrische leger. Eveneens werd het brandofferaltaar van koper gemaakt. Elk voorwerp kreeg in de Voorhof en in het Heilige de bestemde plaats.
Op de 25ste van de maand kislev (november/december), precies 3 jaar nadat Antiochus IV Epiphanes de Tempel had verontreinigd, had de herinwijding plaats. In Zijn Huis werden aan de Here God, op het brandoffer- en reukofferaltaar, weer offers gebracht; Hij werd aanbeden en geëerd met liederen, begeleid met citers, harpen en cimbalen. In het Heilige lagen de twaalf broden weer op de tafel en de lichten van de zevenarmige kandelaar brandden weer. Maar…, de Talmoed vertelt: “Er was slechts één kruikje olijfolie met het zegel van de hogepriester.”

De zevenarmige kandelaar (Menorah) was een prachtig kunstwerk.
In de Thora lezen we de aanwijzingen, die de profeet Mozes van de Here God had ontvangen voor het maken van deze kandelaar (Exodus 25:31-40). Nadrukkelijk staat vermeld: ‘de kandelaar moet uit één stuk goud worden gemaakt’. Er mocht niet worden geschroefd of gelast. ‘Vanuit de middenschacht waren, aan weerskanten drie armen in boogvorm naar boven gericht, op gelijke hoogte van elkaar en de schacht’. Eveneens waren ‘de bloemkelken met knoppen en bloesems van de amandelboom’ uit hetzelfde stuk goud, zonder te schroeven of te lassen, als versiering op de kandelaar aangebracht. Niet op willekeurige plaatsen, maar zoals de Thora vermeldt.
Een kandelaar geeft geen licht, maar is drager van het licht; zo ook de gouden kandelaar in de Tempel. Boven de zes armen en de middenschacht werden lichtbakjes voor olijfolie met een tuitje en een pit aangebracht. De pitten werden zo geplaatst dat het licht niet achterwaarts viel, maar naar voren. Men zou kunnen zeggen ‘toekomstgericht’, als heenwijzer naar de komst van de Messias, het Licht der wereld (Johannes 8:12, l Johannes 1:5, Openbaring 22:23b en 24).
Het stralende licht van de zeven lampen, waarvan de kandelaar de drager was, weerspiegelde in de Tempel iets van de Majesteit van de Here God.
Voor de olijfolie van de zeven lampen werden de allerfijnste olijven uitgezocht. Bestanddelen van het vruchtvlees of de pit mochten niet met de olie worden vermengd. Alleen ‘zuivere’ olijfolie mocht worden gebruikt (Leviticus 24:2).

Eén kruikje olie
Elke avond en nacht brandden de zeven lampen van de gouden kandelaar (Exodus 27:21). Maar…, bij de herinwijding van de Tempel was er slechts één kruikje olijfolie met het zegel van de hogepriester, toereikend voor één dag.
De volgende morgen merkte de priester, die de taak had de zeven lampen van de kandelaar op de tijd vòòr het ochtendgebed te verzorgen, tot zijn grote verwondering: de lampen van de kandelaar brandden nog! Naderbij gekomen zag hij: de olie was niet op! Er was in de lichtbakjes nog evenveel olie als de dag daarvoor!
Enorm groot was de vreugde, blijdschap en dankbaarheid; de Tempel was in zijn glorie hersteld. In Zijn Huis werden de Here God weer offers gebracht; Hij werd aanbeden en geëerd met zang en muziek.
Acht dagen duurde de herinwijding van de Tempel. Gedurende deze dagen zorgde de Here God dat de olijfolie in de lichtbakjes niet verminderde. Acht dagen lang konden de zeven lampen van de kandelaar blijven branden op één kruikje olijfolie, een groot wonder! Na deze dagen was nieuwe olijfolie bereid, die voldeed aan de voorschriften door de Here God gegeven in de Thora (Exodus 27:20 en 21).
De vreugde, blijdschap en dankbaarheid was zó groot dat Judas, zijn broers en de gehele vergadering bepaalde: ‘dit gebeuren’ mag niet worden vergeten, maar jaarlijks met vreugde en blijdschap herdacht en gevierd. Een feest werd toegevoegd op de Joodse kalender; het Chanoekafeest, op de 25ste van de maand kislev. Chanoeka betekent: ‘wijding’. Het is het Feest van de herinwijding van de 2e Tempel, waarbij de gebeurtenissen hieraan vooraf niet worden vergeten.

De viering van het Chanoekafeest
Het Chanoekafeest is vooral een huiselijk feest. Thuis en in de synagoge wordt het gevierd als lichtfeest. Het kent slechts één ceremonie: het aansteken van het chanoekalicht.
Veelal wordt als lichtdrager de chanoekakandelaar gebruikt. Deze heeft de vorm van de Menorah (de gouden kandelaar in de Tabernakel en later de Tempel), maar met dit verschil: vanuit de middenschacht zijn aan weerszijden vier armen in boogvorm naar boven gericht.
De acht armen staan op gelijke hoogte van elkaar. Symbolisch wordt hiermee aangegeven: de acht dagen (avonden) van het Chanoekafeest zijn alle even belangrijk. De chanoekakandelaar heeft tevens een uitneembare lichtdrager, meestal aangebracht in de middenschans. Deze heet ‘de dienaar’ (Sjammàsj) en wordt het eerst aangestoken. Vervolgens worden met ‘de dienaar’ de betreffende lichtjes op de chanoekakandelaar ontstoken.
Naar keuze kan men olie of kaarsen gebruiken, als het licht maar wordt aangestoken met ‘de dienaar’.
Op de 1e dag (avond) van het Chanoekafeest wordt het eerste licht(je) aangestoken. Het schittert als een ster(retje). De 2e dag (avond) wordt hetzelfde licht(je) aangestoken en het licht(je) daarnaast. Het licht is wat groter. Elke dag (avond) groeit het chanoekalicht; het wordt groter en groter. Evenals ‘het lichtwonder’ bij de herinwijding van de Tweede Tempel elke dag groter werd.
Op de achtste en laatste dag van het feest vormen de acht lichtjes samen een stralend licht!
Aan het begin van de avond, wanneer het donker begint te worden, wordt thuis het chanoekalicht aangestoken. Voor zover mogelijk als alle huisgenoten thuis zijn. Veelal wordt het chanoekalicht vlak voor de maaltijd aangestoken. Het verhoogt de sfeer en de gezelligheid tijdens de maaltijd.
Het chanoekalicht hoeft niet de hele avond te branden; een half uur is het minimum. Het licht dient niet als verlichting voor de kamer. De gewone verlichting is aan.
In tegenstelling tot het sjabbatslicht dat door moeder wordt aangestoken, steekt vader het chanoekalicht aan. Indien er zonen zijn, die de Hebreeuwse lofspreuken kunnen opzeggen en/of zingen, mogen ook zij het chanoekalicht ontsteken.
Als het chanoekalicht is aangestoken, wordt er gezongen. Vaak ook aan het einde van de maaltijd vóór het dankgebed.
Zolang het chanoekalicht brandt, werkt niemand. Ook de huishoudelijke bezigheden blijven liggen.

Terug naar de inhoud