Leren door vragen: Uit dit boek - Corry B. Brauckman

Title
Ga naar de inhoud

Het Wekenfeest - Sjawoe’ot
5 juni 2022 - van ’s avonds 4 tot ’s avonds 5 siewan 5782
Een Pelgrimsfeest  

Een ander accent

Inleiding
Het Wekenfeest wordt ook genoemd: ‘oogstfeest’, ‘de dag van de eerstelingen’ (van de oogst) en het ‘Joodse Pinksterfeest’ (Handelingen 2:1). Het is een Pelgrimsfeest van één dag, waarop niet wordt gewerkt (Numeri 28:26). Buiten Israël wordt aan dit feest een dag extra toegevoegd.
Het wordt gevierd in de maand siewan (mei/juni).

De Naam
De naam van het Wekenfeest wordt niet bepaald door het feest, maar door de tijd die ligt tussen het Pesachfeest en het Wekenfeest. Sjavoe’ot (Hebreeuws) betekent ‘weken!’
Op de 2e dag van het Pesachfeest begint de telling voor het volgende feest. Zeven weken moeten er liggen tussen de 2e dag van het Pesachfeest en het Wekenfeest (Leviticus 23:15 en 16). Op de dag nadat de zeven weken zijn geteld, de 50ste dag, is het Wekenfeest. In deze periode van vijftig dagen wordt iedere dag geteld. Deze telling wordt ‘omertelling’ genoemd. Een omer is een schoof (garve).

Het Wekenfeest tot de verwoesting van de 2e Tempel te Jeruzalem
Evenals het Pesachfeest is het Wekenfeest een landbouwfeest, waarbij het gaat om de ‘eerste’ opbrengst. Bij het Pesachfeest ging het om de eerstelingen van de gerst; bij het Wekenfeest om de eerstelingen van de tarwe en de vruchten (Exodus 23:16).
Twee tiende efa meel (ongeveer zeven pond) werd van het eerste tarwegraan genomen, waarvan twee broden werden gebakken. Heel opmerkelijk: het deeg mocht niet ongezuurd zijn, maar met gist doortrokken en gerezen.
De pelgrim ging met zijn twee broden - in zijn eigen woonplaats gebakken van het nieuwe tarwegraan - en met in een mand de eerstelingen van zijn vruchten naar de Tempel te Jeruzalem (Deuteronomium 26:1-20). De broden werden door de priester niet op het brandofferaltaar geofferd; ze waren gezuurd. Alles wat deed gisten mocht niet op het brandofferaltaar komen.
Evenals bij de twee eerste schoven gerst, bewoog de priester de twee broden, als beweegoffer, plechtig heen en weer voor het aangezicht van de Here God. Op deze wijze werd de Here God dank en eer gebracht. Want hoe goed de mens ook zorg draagt voor de gewassen, vrucht laten dragen kan alleen de levende God.

Aan het eind van dit feest herinnerde een mitzwa alle eigenaren van land: de randen van hun velden niet te maaien. Eveneens de korenaren, die waren blijven liggen of gevallen, niet op te rapen. Dit graan was  bestemd voor de armen, onder wie wezen, weduwen en vreemdelingen (Leviticus 23:22, 19:9).
Hierin zien we het hart en de zorg van de levende God voor sociaal zwakken. Wel moesten ze hun handen uit de mouwen steken en naar de velden gaan om het graan achter de maaiers en arbeid(st)ers op te rapen (na te lezen). Met andere woorden: de sociaal zwakken genoten de bescherming van de Thora. In onze geseculariseerde tijd zou men zeggen: een sociale voorziening, die werd genoemd: ‘het nalezen van de oogst’. Eveneens zien we dat ontvangen ook geven is. Ofwel: dankbaarheid aan de levende God Die alles doet groeien, valt samen met oog hebben voor mensen (je naasten), die het minder goed hebben.

Een ander accent
Na de verwoesting van de Tempel en de diaspora (verstrooiing onder de volken) verschoof het accent als landbouwfeest. Het kwam te liggen bij de openbaring van de levende God op de Sinaï en het ontvangen van de wetgeving, de Tien Woorden.
Deze vond plaats in het begin van de 3e maand na de uittocht uit Egypte (Exodus 19:1-3). Niet de Thora, maar de traditie leert: de openbaring van de God van Israël op de Sinaï en het ontvangen van de Tien Woorden had plaats op het Wekenfeest. Op deze dag wordt herdacht en gevierd, dat het volk, na zich twee dagen te hebben voorbereid, bij het aanbreken van de derde dag felle bliksemflitsen en zware donderslagen boven de berg Sinaï zag en hoorde…  
De bliksem en de donderslagen waren zo hevig, dat het volk Israël beefde van angst. Niettemin leidde de profeet Mozes, bij het geluid van een zeer sterk en langgerekt bazuingeschal, het volk naar de voet van de berg Sinaï. Deze had hij geheel laten omheinen voor het geval iemand de berg zou aanraken. De Here God had tevoren gewaarschuwd: “Wie de berg aanraakt of beklimt, mens of dier, zal met de dood worden gestraft” (Exodus 19:12-13).

Rook en vuur
Toen de Here God in het vuur op de bergtop neerdaalde, stond de berg Sinaï geheel in rook. De rook van het vuur, die omhoog steeg als de rook van een oven, was de omhulling waarmee de Here God omgeven was. Niemand kan de levende God zien en in leven blijven (Exodus 33:20). De verschijning van de Here God was zo ontzagwekkend, dat niet alleen het volk Israël, maar ook de berg Sinaï zeer beefde.
Boven het geluid van de zware donder en het zeer sterke bazuingeschal uit, klonk de stem van de Here God. Hij riep de profeet Mozes om de bergtop te beklimmen. Daar kreeg hij nogmaals de opdracht het volk voor te bereiden op de openbaring van de Here God. Opnieuw waarschuwde Hij, dat niemand de berg mocht aanraken noch beklimmen om een glimp van de Here God op te vangen. Wie dit deed, zou sterven…
Nadat de profeet Mozes de berg was afgedaald en met het volk gesproken had (Exodus 19:16-25), klonk de stem van de Here God luid boven de zware donder en het bazuingeschal uit. Hij herinnerde het volk er eerst aan Wie Hij is, met de woorden: “Ik ben de HERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb.” Vervolgens sprak Hij de Tien Woorden (Exodus 20:1-17).

U zult geen andere goden voor Mijn Aangezicht hebben.
U zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is.
U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen, want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig (jaloers) God, die de ongerechtigheid (verkeerde daden) van de vaderen bezoek (vergeldt) aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en Die barmhartigheid doe (een warm hart toedraagt) aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden (richtingaanwijzers voor het leven) onderhouden (doen).   
U zult de Naam van de HERE, uw God, niet ijdel gebruiken (misbruiken), want de HERE zal niet onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.
Gedenk de Sjabbatdag, dat u die heiligt (apart zet); zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de Sjabbat van de HERE, uw God; dan zult u geen werk doen, u noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de Sjabbatdag en heiligde die.
Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HERE, uw God, u geven zal.
U zult niet doodslaan.
U zult niet echtbreken.
U zult niet stelen.
U zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
U zult niet begeren het huis van uw naaste; u zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
(Exodus 20:1-17).

De Heilige Geest
In Jeruzalem - de stad van de Grote Koning (Psalm 48:3) - werd in het jaar 33 op het Wekenfeest de Heilige Geest uitgestort. (Zie tab. ‘De oorsprong, achtergrond en betekenis van de Christelijke feesten.)

Een blij, gezegend Wekenfeest

Reageren? Zie contact.


Terug naar de inhoud