Christelijke feesten: Uit dit boek - Corry B. Brauckman

Title
Ga naar de inhoud
Willen wij doen, wat dit ezeltje deed?

Een oosters huldebetoon was het op de weg uitspreiden van (palm)takken, groen van het veld en kleren. Een koning werd op deze wijze eer gebracht; een waardig onthaal (2 Koningen 9:13).

Koninklijke intocht
Ook in het jaar 33 waren Joden uit alle delen van het land en de wereld naar Jeruzalem gekomen om, zoals de Here God had geboden, het Pesachfeest te vieren (Exodus 23:14 en 15, Leviticus 23:4-14). Zij brachten de Here Jezus bij zijn intocht te Jeruzalem, de stad van de grote Koning (Psalm 48:3, Matteüs 5:35), spontaan en feestelijk koninklijke hulde door voor Hem (palm)takken, groen van het veld en kleren op de weg uit te spreiden. Ze beschouwden Hem als hun Koning, de Messias! Tegelijkertijd was het ook een teken van hun onderdanigheid aan Hem. De Messias, zo dachten zij, zou hen verlossen van de (gehate) bezetters, de Romeinen. Inderdaad, Hij zou hen verlossen, maar zo heel anders dan zij verwachtten (*).

Geen paarden, maar een ezels
Een koning met veel paarden! De Here God had gezegd: ‘Een koning moet niet veel paarden houden’ (Deuteronomium 17:16). Deed de koning het wel, dan was het gevaar groot, dat hij ging pronken met en vertrouwen op zijn paarden, wapens en ander oorlogsmateriaal, in plaats van de Here God te vertrouwen (Exodus15:1 en 4, Psalm 20:8a, Jesaja 31:1 en 3).
In de Richterentijd (NBV ‘Rechters’) reden de richters en hun zonen op ezels (Richteren (Rechters) 5:10; 10:4; 12:14). Koning David en zijn zonen reden op muildieren (2 Samuël 13:29). Bij de huldiging van zijn zoon Salomo tot koning gaf hij opdracht: ‘Laat mijn zoon Salomo op mijn eigen muildier rijden’ (1 Koningen 1:33, 38, 44 en 45). Geenszins wil dit zeggen, dat koning Salomo geen paarden had, integendeel! (1 Koningen 4:26; 10:25) Vanaf de tijd van koning Salomo reed een koning niet meer op een ezel.

Profetie
De Here Jezus reed bij Zijn intocht in Jeruzalem niet vol trots en zelfvertrouwen, in koninklijke macht en glorie, hoog gezeten op een paard, maar… op een ezeltje! Hij wilde, voor wie er oog voor had, laten zien: Ik ben geen vechtkoning. Als Koning reed Hij nederig, zachtmoedig en op gelijke hoogte met de mensen, Jeruzalem binnen. Iedereen kon Hem zien, ook de kinderen. Hij was niet gekomen om met geweld de Romeinen te bestrijden en te verdrijven, maar om ‘andere vijanden’ te overwinnen.
Rijdend op een ezeltje vervulde de Here Jezus als Koning de profetie, die de profeet Zacharia vele eeuwen geleden had uitgesproken (Zacharia 9:9).

Het ezeltje waarop de Here Jezus Jeruzalem binnenreed
Een gezegde is: zo dom als een ezel. En ezeltje waar de Here Jezus op reed? Niemand had nog op het dier, een hengstenveulen, gereden (Marcus 11:2). Hij liet zich:
- vrijmaken van de touwen, waarmee hij vastgebonden zat; vrij van banden;
- leiden naar de Here Jezus;
- gereedmaken om door de Here Jezus gebruikt te worden. Er werden kleren op zijn rug
  gelegd;
- dienstbaar maken aan de Here Jezus. De Here Jezus kon op hem rijden;
- door de Here Jezus leiden om niet te struikelen. Want mensen legden allerlei lastige
  obstakels voor zijn poten, zoals palmtakken, groen van het veld en kleding.
En wij? Willen wij doen wat dit ezeltje deed…?

(*) Anders dan de Joden in het jaar 33 dachten, verlost de Here Jezus! Door Zijn lijden, sterven en opstanding uit de
    dood (1 Korintiërs 15:3 en 4, Romeinen 6:23) is bij Hem eeuwig leven in heerlijkheid te zoeken en te vinden.

Reageren? Zie contact


Terug naar de inhoud