Christelijke feesten: Uit dit boek - Corry B. Brauckman

Title
Ga naar de inhoud
De veertig-dagen tijd of vastentijd
en de Man in het linnen gekleed

De veertig-dagen tijd of vastentijd
Dinsdagnacht, klokslag twaalf, begint de veertig-dagen tijd. Tot 24.00 uur mag carnaval worden gevierd, maar klokslag twaalf is het voorbij; de veertig-dagen tijd is aangebroken.
De veertig-dagen tijd begint met Aswoensdag en loopt tot en met Stille Zaterdag (Paaszaterdag).
Het kerkelijk wetboek van de Rooms-katholieke kerk vermeldt: Aswoensdag en Goede Vrijdag zijn verplichte vastendagen voor alle gedoopte Rooms-katholieken. Ofwel: alle gedoopte Rooms-katholieken tussen de achttien en zestig jaar zijn gehouden op deze dagen slechts één volledige maaltijd te gebruiken.

Het askruisje
Op Aswoensdag houden de Rooms-katholieke kerk, de Anglicaanse kerk en sommige kerken van een andere denominatie speciale kerkdiensten, waar de gelovige een kruisje op het voorhoofd wordt aangebracht; het ‘askruisje!’ Het kruisje is een teken van boete en sterfelijkheid. De priester zegt, terwijl hij het kruisje op het voorhoofd aanbrengt: ‘Gedenk, mens, dat u stof bent en tot stof zult wederkeren.’ Hiermee citeert hij de woorden uit Genesis 3:19. Sinds 1979 is de priester niet verplicht om uitsluitend deze woorden te spreken. Terwijl hij het askruisje aanbrengt mag hij ook de woorden uitspreken naar aanleiding van Marcus 1:15: ‘Bekeert u en gelooft in het Evangelie.’

Het materiaal van het askruisje bestaat, zoals de naam al zegt, uit as. Soms wordt de as vermengd met zalfolie, om de as beter te kunnen aanbrengen.
De as van het askruisje is van verbrande palmtakken. In landen waar geen palmbomen groeien, worden onder andere buxusheggen gebruikt.
We lezen menigmaal in de Bijbel, dat as werd gebruikt als teken van vasten en berouw. De as werd over het voorhoofd gestrooid, waarbij men zich vaak kleedde in een zak, die als boetekleed dienst deed (2 Samuël 13:19, Ester 4:1 en 3, Job 42:6, Daniël 9:3, Jona 3:6-8). Vandaar ook de uitdrukking ‘in zak en as zitten’.
De as van het askruisje kan symbolisch gezien worden als:
- de vergankelijkheid van het leven; de dood treft ieder mens.
De zalfolie kan symbolisch gezien worden als:
- een heenwijzing naar de Here Jezus als ‘de Christus’ (Hebreeuws: Messias). Ofwel: de Gezalfde!   Hij is het Die doopt met de Heilige Geest (Matteüs 3:11, Lucas 3:16b).
Het kruisje kan symbolisch gezien worden als:
  - het lijden en sterven van de Here Jezus aan het kruis, plaatsvervangend voor onze zonde en de     gebrokenheid van de wereld.

De Bijbel en een kruisteken op het voorhoofd
De ‘priester’ Ezechiël (Ezechiël 1:3) behoorde tot de Joodse ballingen, die in het jaar 597 voor Christus tijdens de tweede deportatie, naar Babel waren weggevoerd.
In het vijfde jaar van zijn ballingschap werd hij door de Here God tot profeet geroepen (Ezechiël 1-3, 2:3). Zijn roeping tot profeet ging gepaard met het zien van het ‘Troonwagen’ visioen (Ezechiël 1:4-28).
De menselijke geest is uniek en heeft het vermogen om met de Here God te communiceren. De Here God spreekt op velerlei wijze, waaronder visioenen.
Wie een visioen ontvangt, wordt door de Here God - God is Geest (Johannes 4:24) - in de geest meegenomen naar een bepaalde plaats. Dit gebeurt niet als men slaapt, maar wakker is. Het menselijk lichaam is dan op plaats A. Hijzelf, zijn geest, is op plaats B. Op plaats B laat de Here God dan bepaalde dingen zien, vaak verborgenheden. Hij spreekt dan veelal door middel van engelen.

Heel nauwkeurig vermeldt de Bijbel: in het zesde jaar van zijn deportatie naar Babel (het jaar 592/591 voor Christus) in de zesde maand (de Joodse maand elloel, augustus/september) op de vijfde dag, was de profeet Ezechiël in zijn huis. De oudsten van Juda - aanzienlijke en leidinggevende personen en familiehoofden van Juda, maar evenals de profeet Ezechiël als balling weggevoerd naar Babel - waren bij de profeet op bezoek (Ezechiël 8:1).
Terwijl zij daar zaten ontving de profeet Ezechiël een profetisch woord, een visioen! Hij werd door de Here God in de geest meegenomen naar Jeruzalem, naar de Tempel, het huis van de Here God. Daar liet de Here God hem gruwelijke dingen zien; schaamteloze afgoderij:
- Bij het brandofferaltaar - de plaats waar offers aan de Here God werden gebracht voor de
  verzoening van verkeerde gedachten woorden en daden (zonden) - stond een afgodsbeeld   (Ezechiël 8:5 en 6);
- zeventig oudsten, vertegenwoordigers van het volk waren in het donker, in het diepste geheim, op
  een geheime plaats in de Voorhof van de Tempel bezig met afschuwelijke afgoderij. Als
  graveerwerk op de muren waren allerlei afgodische voorstellingen afgebeeld, waaronder kruipend
  gedierte en beesten. Voor hen brandden zij wierook (Ezechiël 8:7-13);
- in de Tempel, de Voorhof der vrouwen, waren vrouwen bezig de ‘natuurgod’ Tammuz te bewenen   (Ezechiël 8:14 en 15);
- tussen de Voorhof en het brandofferaltaar, met de rug naar de Tempel, waren ongeveer
  vijfentwintig mannen vol aanbidding gebogen voor de zon (Ezechiël 8:16).
Deze gruwelen krenkten de Here God en deden Hem ver van de Tempel blijven (Ezechiël 8:6 en 17).
Er werd in het land Israël veel bloed vergoten; de ene moord volgde op de andere. Ook de stad Jeruzalem was vol geweld (Ezechiël 7:23) en werd door de Here God ‘bloedstad’ genoemd (Ezechiël 22:2 en 3). Het recht werd verbogen (verkracht). (Ezechiël 9: 9)  En de Here God…? Bij Hem is er altijd een ‘totdat…!’
Het dienen van andere goden, goddeloosheden, gruwelen en vreselijke dingen! De levende God laat het allemaal toe, vaak vele jaren, totdat…!
De toorn en het oordeel van de Here God over al deze dingen is de buitenste rand van Zijn Liefde. Het is Zijn smartelijke roep: ‘Keer terug! Keer terug tot Mij! Bekeer u voordat het voor ‘eeuwig’ te laat is.’ Alleen, wordt Zijn roep gehoord…?

De Man in het linnen gekleed
In het vervolg van dit visioen hoort de profeet Ezechiël de Here God met luide stem roepen: ‘Treedt nader, u, die aan de stad (Jeruzalem) de straf voltrekken moet, ieder met zijn verdelgingswapen in de hand!’ (Ezechiël 9:1)
De profeet Ezechiël ziet zes mannen, zes engelen. Ze komen van de Bovenpoort, die op het noorden uitziet. Onder deze zes mannen is nog een Man. Hij is in tegenstelling tot de anderen in het linnen (beeld van de gerechtigheid) gekleed. Een vernietigingswapen heeft Híj niet in Zijn hand. Hij draagt aan Zijn zijde een schrijfkoker. In die tijd werd een schrijfkoker gedragen aan een gordel. In deze koker bevond zich schrijfgereedschap, zoals inkt en stiften.
De mannen (engelen) komen naderbij en gaan staan naast het koperen brandofferaltaar in de Voorhof van de Tempel.
De heerlijkheid van de God van Israël - Zijn niet te beschrijven glorie en majesteit - heft zich van de Troonwagen. Deze Troonwagen heeft Ezechiël al eerder gezien bij zijn roepingvisioen (Ezechiël 1:1-28). De Troonwagen wordt gedragen door vier wezens, cherubs. In dit visioen worden zij voorgesteld als één (cherub).
De heerlijkheid van de God van Israël begeeft zich naar de dorpel (drempel) van de Tempel. Daar roept Hij de Man, Die in het linnen is gekleed. Hij zegt tot Hem: ‘Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem en maak een teken op de voorhoofden van de mannen, die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden.’
Met andere woorden: er zijn mensen die niet hebben meegedaan met al die duistere praktijken, die de Here God bedroeven en krenken. Zij zijn diep bedroefd en lijden er onder. Ze klagen en zuchten erover. Deze mensen hebben een warm kloppend hart voor de levende God en verstaan iets van Zijn verdriet als mensen ‘eigen wegen’ gaan. Wegen zonder Hem! Wegen die naar het lijkt tijdelijk genot en voorspoed brengen, maar naar de ‘eeuwige’ afgrond leiden.
Mensen die niet hebben meegedaan en verdriet hebben over al die duistere praktijken, moet de Man in het linnen gekleed een ‘teken’ op het voorhoofd aanbrengen. ‘Op het voorhoofd’ wil zeggen: het teken is strikt persoonlijk. In het Hebreeuws is dit teken de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet; de letter ‘taw’. Niet in het moderne Hebreeuws (koder Ivriet), maar in het oude Hebreeuws wordt deze letter geschreven als een ‘liggend kruisteken’.
Zij die trouw zijn gebleven aan de Here God ontvangen een liggend kruisteken. Allen die dit kruisteken dragen zijn veilig. De Here God bewaart hen, zondert hen af van Zijn rechtvaardige toorn en oordeel.
De mannen die het vernietigingswapen dragen, krijgen van de Here God de opdracht: achter de Man in het linnen gewaad te lopen. Een ieder die geen kruisteken op het voorhoofd draagt, moeten zij doden. Zij mogen niemand ontzien en zich niet laten leiden door misplaatst medelijden. Ze krijgen de opdracht bij het huis van de Here God, de Tempel, te beginnen (1 Petrus 4:17).

Vervulling
Hoe letterlijk dit visioen (Ezechiël 9:1-7) in vervulling is gegaan, lezen we in 2 Kronieken 36:17. Veelvuldig had de Here God Zijn volk gewaarschuwd (2 Kronieken 36:15 en 16), maar zij waren horende doof!
Een teken op het voorhoofd…! Dit gebeuren zal zich herhalen aan het eind van de tijd. Het teken zal dan geen liggend kruisteken zijn, maar het zegel van de Here God (Openbaring 7:3; 9:4; 14:1).

Het is volbracht
De Man in het linnen gewaad is klaar met Zijn door de Here God ontvangen opdracht. De profeet Ezechiël hoort Hem zeggen: ‘Ik heb gedaan, zoals U Mij had bevolen’ (Ezechiël 9:11).
‘Ik heb gedaan!’ Eigenlijk sprak de Here Jezus hetzelfde, toen Hij vastgenageld aan Handen en Voeten op het kruis van Golgotha riep: ‘Tetelestai!’ Het is volbracht! (Johannes 19:30)
Het werk waartoe God de Vader Hem naar de aarde had gezonden, is volbracht. Het kruis is opgericht…, de weg naar het Hart van God de Vader is gebaand…, de zonden zijn verzoend… Een ieder die wil, kan door de Here Jezus tot God de Vader gaan (Johannes 14:6) om Zijn vergevende liefde (Johannes 3:16) én het eeuwige leven in eeuwige heerlijkheid te ontvangen. Wat een toekomstperspectief…!

Reageren? Zie contact

Terug naar de inhoud