Christelijke feesten: Uit dit boek - Corry B. Brauckman

Title
Ga naar de inhoud
Paasfeest 2021
Het graf is open. De Here Jezus leeft!

Inleiding
Het eerste grote feest (pelgrimsfeest), dat in de Bijbel wordt genoemd, is het Joodse Paasfeest. Ofwel: Pesach, direct gevolgd door het feest van de ongezuurde broden.
Voor het volk Israël brak met Pesach een nieuw tijdperk aan; niet meer als slaven, maar als ‘vrije’ mensen.
Met de opstanding (verrijzenis) van de Here Jezus uit de dood, opgewekt door de majesteit van God de Vader, brak eveneens een nieuw tijdperk aan. De weeën van de dood waren verbroken, eeuwig leven was aan het licht gebracht (Romeinen 6:4, Handelingen 2:24, 2 Timoteüs 1:10b).
Wereldwijd wordt de opstanding van de Here Jezus door christenen op zondag gevierd, maar heel in het bijzonder op het Paasfeest.

U zij de glorie, opgestane Heer!
U zij de victorie, nu en immermeer.
Uit een blinkend stromen
daald’ een engel af,
heeft de steen genomen
van ’t verwonnen graf.
U zij de glorie, opgestane Heer!
U zij de victorie, nu en immermeer.
                         Uit: Evangelische Liedbundel, Lied 132:1
                                                          Opwekking, Lied 213:1

Paasmorgen (naar Matteüs 28:2-4)
’t Was tegen het aanbreken van de eerste dag van de week. De aarde beefde…! Enkele dagen daarvoor, op vrijdagmiddag omstreeks drie uur, had er ook al een aardbeving plaatsgevonden. Ook dit keer was het een grote aardbeving…!
  
Een man met een uiterlijk als een bliksem
De soldaten die de wacht hielden bij het verzegelde graf van de Here Jezus hadden nauwelijks het beven van de aardbeving gevoeld of zie...! De hemel…! Een engel des Heren, met een uiterlijk als een bliksem en kleren zo wit als sneeuw, daalde van de hemel en kwam nader.
De Romeinse soldaten, geharde mannen, die wel het een en ander waren gewend en hadden meegemaakt, werden bang, uitermate bang en angstig, voor die ene engel. De engel liep naar hen toe…! De Romeinse soldaten werden zó bang en angstig, dat zij werden als doden. Er was geen kracht in hen om op hun voeten te blijven staan. Met andere woorden: er was als het ware geen leven in hen, zo angstig waren zij. Verlamd van angst voor die blinkende gestalte uit de hemel zagen ze hoe de engel...! Maar dan weten ze nog maar één ding: wegwezen! Weg van die man met zijn uiterlijk als een bliksem! Weg van het verzegelde graf, waarvan de zegels door die blinkende gestalte werden verbroken…!
De soldaten die de wacht moesten houden bij het verzegelde graf vluchtten, met alle gevolgen van dien. Wie als soldaat zijn wachtpost verliet, stond de doodstraf te wachten.

De functie van de weggerolde steen
De door de engel weggerolde steen van het graf van de Here Jezus heeft een functie. Niet om de opgestane Here Jezus de gelegenheid te geven om uit het graf naar buiten te komen. Zijn opstandingslichaam is niet gebonden aan de natuurwetten van tijd en ruimte.
De weggerolde steen is nodig, om wat bij het graf van geen enkele godsdienstige leider, profeet of wie zich als god heeft laten vereren, gezegd kan worden: ‘Kijk! Dit is zijn graf. Het is open en leeg, want Hij is hier niet. Hij is opgewekt. Hij leeft!’
Van niemand, behalve van de alleruniekste Persoon Die op aarde geleefd, gewoond en gewerkt heeft: de Here Jezus Christus!
De functie van de weggerolde steen is non-verbaal: het graf is open. De Here Jezus leeft!

De eerste verschijning van de opgestane Here Jezus (Johannes 20:11-18)
Het verdriet van Maria van Magdala was niet te doorbreken, ook door de twee engelen uit de hemel niet. Dit kon alleen de opgestane Here Jezus, maar Hem herkende zij niet. Zijn Godheid, bij Zijn incarnatie afgelegd (Filippenzen 2:6 en 7), had Hij weer aangenomen.
Volkomen door haar verdriet overmand, vroeg Maria van Magdala zich niet af waarom de twee engelen in het open graf waren. Hun reactie op haar woorden wachtte zij ook niet af. Ze draaide zich om. Met andere woorden: ze keerde de engelen en het open graf haar rug toe. Met betraande ogen zag ze Iemand in de tuin, een Man niet ver bij haar vandaan. Het was de Here Jezus Die daar stond. Maar dat wist ze niet. Hij stelde haar twee vragen. De eerste was gelijk aan de vraag van de engelen: ‘Vrouw, waarom weent u?’ De tweede vraag luidde: ‘Wie zoekt u?’ Deze vragen zouden hard en onmenselijk zijn geweest, indien ze gesteld waren bij een gesloten graf, maar het graf was open!
Ervan uitgaande dat Hij de tuinman was, sprak Maria van Magdala Hem aan met ‘Heer’, de algemene aanspreektitel voor mannen. Zij antwoordde Hem: ‘Heer, als u Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar u Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen.’ Ze wilde weten ‘waar’ het dode lichaam van de Here Jezus was om Hem terug te brengen naar het graf. Ofwel: om Hem opnieuw te begraven. Of ze dit alleen wel kon? En dat ze onrein zou worden! Ze bekommerde zich er niet om. Het overleden lichaam van de Here Jezus was haar zo dierbaar.
‘Maria!’ hoorde Maria van Magdala de Man zeggen. Die stem…! Maria van Magdala had zich al van Hem afgewend, maar bij het horen van Die stem, Die haar naam sprak, keerde ze zich om. Die stem…! Ze herkende Die stem…!
‘Rabboeni!’, sprak zij in het Hebreeuws tot Hem. Ofwel: ‘Meester!’ Meer kon zij er op dat moment niet uitbrengen. Maar Zijn stem had haar verdriet gebroken.
In beeldspraak had de Here Jezus een keer gezegd: ‘Mijn schapen horen naar Mijn stem’ (Johannes 10:27a). Dit gebeurde ook nu, bij het open graf.
Waarschijnlijk was Maria van Magdala voor de Here Jezus - in Zijn verheerlijkt en onsterfelijk opstandingslichaam waren Zijn ziel en geest teruggekeerd - neergeknield en had zij Zijn voeten vastgepakt. Want hoor, de Here Jezus sprak tot haar: ‘Houd Mij niet vast.’ Hij vertelde ook waarom zij dit niet moest doen. Hij sprak: ‘Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader.’ Met andere woorden: Maria wilde Hem vasthouden om te blijven, dit kon niet. Want het zou Hemelvaartsdag worden. Dat Zijn hemelvaart een speciaal doel had, had Hij enige tijd voor Zijn lijden en sterven gezegd (Johannes 7:39). Daar ging Hij nu niet verder op in.
Hoor, nu gaf de Here Jezus haar een opdracht: ‘Ga naar Mijn broeders en zeg hun: ‘Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, naar Mijn God en uw God’.’ Zijn discipelen noemde Hij hier ‘broeders’, wat duidde op een nieuwe, hechte relatie. Ook zij moesten gewezen worden op Zijn hemelvaart én dat Zijn Vader en God ook hun (onze) Vader en God is.
‘Mijn broeders’. Door middel van deze woorden wilde de Here Jezus Zijn discipelen Zijn liefde tonen, ondanks het feit dat zij Hem in Zijn lijden en sterven ‘alleen’ hadden gelaten.

Maria van Magdala, moeder Maria en haar zus Maria van Klopas, waren de enige vrouwen, die het kruis van de Here Jezus niet hadden geschuwd (Johannes 19:25). Zij stonden aan de voet van Zijn kruis. Zij wilden bij Hem zijn, Die zo mateloos leed. Wie liefheeft laat de ander niet alleen, als hij/zij lijdt.
Aan Maria van Magdala, zij had aan de voet van Zijn kruis gestaan, verscheen de Here Jezus het eerst.

Vertelt u/jij ook aan mensen, dat de Here Jezus leeft! Hij heeft ‘eeuwig leven’ aan het licht gebracht (2 Timoteüs 1:10b).

Reageren? Zie contact

Terug naar de inhoud